Fase 6: Plaatsing

Volgens Tijken (2012) is er sprake van plaatsing wanneer de cliënt het arbeidscontract ondertekend. Vanaf het moment dat de cliënt en werkgever de intentie hebben een dienstverband met elkaar aan te gaan, speelt de arbeidscoach vaak een bescheiden rol. De arbeidscoach richt zich vanaf dit punt vooral op het adviseren en informeren van de cliënt en werkgever over verschillende eisen en aandachtspunten waarmee rekening mee gehouden dient te worden.

 

De rol van de arbeidscoach
Volgens Tijken (2012) is het voor de cliënt belangrijk om op de hoogte te zijn van belangrijke punten in het arbeidscontract en hoe alles te regelen met de uitkeringsinstantie. Iedere uitkeringsgerechtigde heeft de plicht om wijzigingen in zijn situatie door te geven aan de uitkerende instantie. Voor de werkgever is het belangrijk om kennis te hebben van bepaalde subsidies of andere tegemoetkomingen. Als een cliënt arbeidsgehandicapte is of een andere beperking heeft wordt de rol van de arbeidscoach uiteraard groter. Het kan dan zijn dat er bepaalde voorzieningen op de werkplek nodig zijn. Het ligt dan ook heel erg aan de cliënt in hoeverre deze hulp nodig heeft. Een cliënt met een gebrekkig taalniveau zou bijvoorbeeld hulp nodig kunnen hebben met het doornemen en ondertekenen van het arbeidscontract.

Tijdens het traject nemen cliënten meestal een positieve houding aan. Dit kan in fase 6 veranderen wanneer de cliënt gevoelens van onzekerheid, afhankelijkheid, onzelfstandigheid of schaamte ontwikkelen. Deze gevoelens komen voort uit een onprettig gevoel dat de cliënt niet op eigen kracht heeft kunnen (re)integreren. Het kan in dit geval zijn dat de cliënt geen verdere ondersteuning wil.

 

Tegemoetkomingen voor de werkgever
De overheid heeft in het arbeidsmarktbeleid maatregelingen genomen om in dienst neming van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te bevorderen. Deze regelingen zijn normaal gesproken gericht op arbeidsgehandicapten maar zijn ook van toepassing op de doelgroep asielzoekers en vluchtelingen. Volgens Tijken (2012) kunnen hierin de volgende maatregelen onderscheiden worden:

No-riskpolis
Dit houdt in dat het UWV het loon doorbetaalt als de cliënt ziek wordt. Deze regeling maakt geen onderscheidt in de oorzaak van de ziekte. Dit is gunstig voor de werkgever omdat het ziek worden van de cliënt hem geen extra kosten oplevert buiten het werk dat dan niet gedaan wordt.

Premiekorting
De premiekorting biedt de werkgever financiële compensatie voor eventuele extra kosten die voor de cliënt gemaakt worden. Dit kan gaan om aanpassingen op de werkplek maar ook om de kosten van extra begeleiding.

Subsidieregeling
De werkgever kan bij het UWV een subsidie aanvragen voor meerkosten die hij maakt voor aanpassingen op arbeidsplaatsen.

Loondispensatie
Dit houdt in dat de werkgever minder loon betaalt dan het minimum. Dit bedrag wordt dan door het UWV aangevuld.